Wolf op Woensdag

oorlog

o

Kabaal in de tuin. Ik spring op en ben nog net op tijd om de wolf te betrappen in het kippenhok. Een kip bungelt heen en weer in zijn klauw. Een andere kip ligt levenloos en zonder kop op de grond. Nog levende kippen fladderen angstig tegen het gaas op. Ik zie een groot gat in het gaas waar het ruw van de sponning is getrokken.

‘Wolf, verdomme nog aan toe!’ roep ik. ‘Sodemieter op uit mijn kippenhok!’ Ik trap de wolf tegen zijn flank. Hij valt tegen het kippengaas maar draait zich snel om naar mij. Bloed druipt uit zijn bek.

‘Wat doe je nou, man, mijn kippen doodbijten? Je kan toch gewoon wat uit de koelkast pakken?’ Woest kijk ik ‘m aan. De wolf lijkt niet onder de indruk en likt zijn poten af. ‘Ik wilde even je aandacht trekken.’

‘Mijn aandacht trekken? Waarom?’ Ik staar ‘m aan.

De wolf krabbelt op en wijst met een scherpe nagel naar mijn borst. ‘Jij hebt een opdracht. Je zou schrijven. Maar je voert geen flikker uit!’

‘En dan bijt je maar mijn kippen dood? Omdat ik niet schrijf? Jezus Christus, jij spoort echt niet. Er worden kinderen doodgeschoten een paar uur rijden hiervandaan! En jij vindt dat ik moet schrijven? Alsof dat nog wat uitmaakt! En trouwens, had me gewoon geroepen.’

‘Dat héb ik gedaan!’ De wolf kijkt me aan met een getergde blik. ‘Aangebeld, geroepen, maar je reageert nergens op! Het enige dat ik je zie doen is verdwijnen in die telefoon van je. Kijken naar een wereld die in brand staat.’

Ik kijk op. ‘Wat weet jij daarvan?

‘Ik ben niet achterlijk.’ De wolf lacht schamper. ‘Het is niet moeilijk om mee te krijgen dat het oorlog is. Oorlog in Europa. Iedereen is er mee bezig. Maar daarom hoef je toch niet te stoppen met schrijven? Jij zit hier, de oorlog is daar. Je hebt al je lege statiegeld-flessen meegegeven aan de kinderen die bij je langskwamen, de kleren die je overhad zijn onderweg naar Oekraïne en je hebt ook nog een mooi bedrag gestort op giro 555. Wat wil je nog meer doen?’

Ik draai me om en zucht. Een diepe trillerige zucht. ‘Weet ik veel!’ zeg ik dan. ‘Ik weet het niet meer. Ik weet het gewoon even helemaal niet meer.’ Ik staar de tuin in. ‘Ja, ik ben me rot geschrokken, net als iedereen. Keek de hele dag op mijn telefoon . Maar na drie dagen ben ik gestopt. Want toen zag ik per ongeluk die foto.’ Ik slik. ‘Een meisje, op haar buik. Dood. Van die lekkere mollige beentjes had ze nog. Schattige kleine schoentjes aan. En nu lag ze daar op straat met een stuk plastic half over haar heen.’ Ik haal diep adem en kijk de wolf aan. ‘Dood. Doodgeschoten, godverdomme!’

Ik geef een trap tegen de ton met kippenvoer. Maiskorrels vliegen in het rond.

‘Waarom doen mensen dat? Een kind! Liggend op die koude straat! En waar zijn haar ouders? Ik mag bijna hopen dat zij ook dood zijn, want dit trekt geen enkele ouder.’ Ik draai me om naar de wolf. ‘En toen dacht ik: waarom zou ik verder schrijven? Het maakt toch geen flikker uit. Zoetsappige verhaaltjes schrijven over míjn kind dat dood is en over een wolf die lief en aardig is. Maar dat ben je dus niet, wolf. Dat ben je niet. Je bent een klootzak. Een eikel die kippen doodbijt.’

‘Ho, ho! Het ging over de oorlog en nu is het ineens mijn schuld?’ Met opgeheven poten staat de wolf voor me.

‘Ik denk dat er iets heel anders aan de hand is, dame!’ De wolf kijkt me peinzend aan.

‘Dit gaat niet over de oorlog. Ja, natuurlijk, het is hartstikke verdrietig dat dit nu gebeurt. Fout ook. Maar jij bent aan het worstelen met jezelf! Ben jij er misschien achter gekomen dat jij altijd maar verhalen wilt schrijven die goed aflopen? Harmonieus en met een happy end? Maar zo zit de wereld niet in elkaar. Logisch dat je dan even niet kan schrijven.’ De wolf kijkt me vorsend aan. ‘De wereld is een verrotte plek waar kinderen worden doodgeschoten. Of ze krijgen kanker.’

Kwaad kijk ik ‘m aan. ‘Alsof ik dat niet weet! De reden waarom jij überhaupt bestaat is omdat er een heel mooi meisje is doodgegaan aan kanker, weet je nog? Een meisje wiens mollige beentjes in het jaar dat ze ziek was zijn veranderd in akelig dunne stokjes. Dat ben ik niet vergeten, hoor!’ Ik sta op en loop tot vlak voor de wolf. ‘Dat vergeet ik mijn leven lang niet meer. Jij hoeft me niet te vertellen dat er kinderen doodgaan.’

‘Nee. Maar ik vertel je wel dat jij van het harmoniemodel bent. Alles moet altijd in evenwicht zijn bij jou, mooi zijn. En een verhaal moet goed aflopen. Zélfs als het gaat om je dode kind.’ De wolf likt het bloed van zijn nagels. ‘Maar een verhaal loopt niet altijd goed af. Niet in de echte wereld tenminste.’ Hij kijkt me aan. ‘En nu weet jij niet meer hoe je verder moet schrijven. Dat is het. Toch?’

Ik staar de wolf aan. ‘Nou, eh… misschien. Maar hoe los ik dat nou op?’

Losjes laat de wolf zich door het gat in het gaas glijden.

‘Tja, dat moet je mij niet vragen. Jíj bent hier de schrijver!’ Hij draait zich om naar mij.  ‘Woensdag 9 uur, niet vergeten!’  En kalm loopt hij de tuin uit.

Over de auteur

Jacqueline van den Bosch

Reageer

Wolf op Woensdag